Juninummer 2026
- 24 jun
- 2 minuten om te lezen
In de juniaflevering van Indische Letteren zijn vier artikelen opgenomen. Het eerste is geschreven door Sjoerd de Meer, oud-conservator bij het Maritiem Museum Rotterdam. Hij publiceerde in 2024 in de reeks Werken van de Linschoten-Vereeniging het boek De reis van Jan Jacob Bertold naar Nederlands-Indië in 1818-1819. Het is een fascinerend verslag, niet in de laatste plaats vanwege de schitterende aquarellen die Bertold maakte (zie de afbeelding hieronder). In zijn bijdrage aan ons tijdschrift geeft De Meer een overzicht van Bertolds indrukken van Nederlands-Indië.
Nienke van der Male, studente Neerlandistiek, schreef een uitstekende bachelorscriptie over de correspondentie van Nic Beets – een kleinzoon van de beroemde schrijver Nicolaas Beets – en zijn ouders. Het jongetje werd op jonge leeftijd naar Nederland gestuurd om te voorkomen dat hij zou ‘verindischen’. De originele brieven worden bewaard in Leiden. Van der Male heeft ze getranscribeerd en geanalyseerd, en deelt haar bevindingen in haar artikel ‘Verbeeld je toch eens Nic, hoe wreed de inlanders toch zijn’.
Het derde artikel is van Coen van ’t Veer, die in onze Werkgroep geen onbekende is. Hij herlas De tienduizend dingen (1955) van Maria Dermoût, een boek dat als een absolute klassieker geldt in de Indische letteren. Er zijn al tal van artikelen en studies over geschreven, maar het boek is nog nooit eerder als een misdaadroman gelezen. In zijn bijdrage aan dit nummer stelt Van ’t Veer deze nieuwe interpretatie voor.
Ten slotte laat Tom van der Geugten, auteur van het boek Getekend verleden. Strips, stripmakers en kolonialisme (2024), in zijn artikel zien hoe het beroemde Saïdjah en Adindaverhaal uit Multatuli’s Max Havelaar (1860) in de loop der tijd onder meer in stripvorm is bewerkt, zowel in Nederland als in Indonesië.

Opmerkingen